Museumstof 64: De teekenschool

Museumstof 63: Crijnssen in Suriname
August 15, 2004
Museumstof 65: Wie wat bewaart, heeft wat – 3
September 20, 2004
Show all

Museumstof 64: De teekenschool

Fort Zeelandia heeft sinds de bouw mensen geïnspireerd tot afbeeldingen. Op een van de oudste schilderijen van het fort staat dit gebouw nota bene onjuist weergegeven. Het betreft hier een afbeelding waarop te zien is hoe gouverneur van Sommelsdijk wordt vermoord door een groep soldaten. Op de achtergrond is een bouwwerk met kantelen te zien dat lijkt op een middeleeuws ridderkasteel. Deze afbeelding is dus niet naar de werkelijkheid gemaakt. Heden ten dage is het fort nog vaak onderwerp van studie. Regelmatig zitten studenten van het Nola Hatterman Instituut om het gebouw heen en schetsen de meest gevarieerde interpretaties van wat ze zien.

Advertentie uit De Nieuwe Surinaamsche Courant, augustus 1899.

Dat deze praktijk reeds lang wordt gebezigd, zien we in een gedicht van C. van Schaick die in 1853 het Dichtbundeltje voor de Surinaamsche Jeugd publiceerde in Haarlem, bij uitgeverij Kruseman. Van Schaick (1808-1874) woonde van 1852 tot 1861 in Suriname. De auteur verwijst naar de poëzie van Van Alphen (van “Jantje zag eens pruimen hangen, o, als eieren zo groot”) maar geeft aan dat deze werkjes toch te veel op Nederland zijn gericht. “Zeden, gebruiken, toestanden, daarin behandeld, zijn hier te enenmale vreemd.” Blijkbaar had Van Schaik veel verzoeken gehad vanuit de samenleving om een bundeltje samen te stellen dat geschikt was voor het Surinaamse kind, “op onze scholen en in onze  huisgezinnen”. Er staan enkele titels in die je inderdaad niet gauw in een Hollandse bundel zult aantreffen, zoals “De Stinkvogel”, “De dronken indiaan” en “Het pronkzieke Missie”. Uit deze aanheffen kunnen we al opmerken dat de inhoud vrij moraliserend is. Er zijn ook gedichten over dieren of over de schoonheid van ons land. Met betrekking tot Fort Zeelandia is er een vers, getiteld ‘Teekenen’.

O! wat ben ik in mijn schik,

‘k Mag nu teeknen leeren!

Niemand is zoo blij als ik,

‘k Zal mij dapper weren.

Kom! Het fort Zeelandia

Teeken ik maar ’t eerste na.

 

Wacht! Laat zien, hoe ik het maak.

‘k Moet maar eens beginnen.

Eerst die vlag daar op dien staak…

Dan de schildwacht binnen,

Nu wat kogels op dien grond,

En een jager met een hond.

 

Mooi!… maar waar de muur gezet?

En dan die kanonnen?…

Och!… ik zit al mooi in ’t net:

‘k Ben niet goed begonnen.

Wat men toch niet heeft geleerd.

Zie ik, doet men licht verkeerd.

Het gedicht gaat verder over zijn angst voor de brommende meester, maar tegelijkertijd zijn wens om ook zo’n meester te worden. Dit Dichtbundeltje voor de Surinaamsche jeugd bevindt zich in de bibliotheek van de Stichting Surinaams Museum. Een schattig klein boekje van 10 bij 15 centimeter, waaruit we de sfeer van rond 1850 kunnen proeven.