Museumstof 63: Crijnssen in Suriname

Museumstof 62: Ligging Fort Zeelandia
August 1, 2004
Museumstof 64: De teekenschool
September 1, 2004
Show all

Museumstof 63: Crijnssen in Suriname

Over de verovering van Fort Willoughby door Abraham Crijnssen is al veel geschreven. Jos Fontaine heeft er in zijn boek Zeelandia, de geschiedenis van een fort (1972) uitgebreid gewag van gedaan. Een contingent van 7 schepen bestaande uit drie fregatten en 4 kleinere vaartuigen, kwam in februari 1667 naar de Guyanese kust met aan boord 750 bemanningsleden en 225 soldaten, onder leiding van de Zeeuw Abraham Crijnssen. De vloot voer de Surinamerivier op tot dicht onder de oever van het fort, loste een aantal schoten en zette ongeveer 700 man aan land. Zij veroverden het fort (toen nog naar Willoughby genoemd) al snel op Lord Byam, die in Suriname het bewind voerde. Lord Francis Willoughby, die op Barbados het bewind voerde, was bijzonder kwaad op Lord Byam, die volgens hem de kolonie veel te snel had overgegeven aan de ‘bierbrouwers en kaasmakers’.

27 februari 1667, Suriname op de Engelsen veroverd door de Zeeuwen. Het fort Willoughby, dat na de verovering werd omgedoopt in Zeelandia, onder het bombardement van de Prins te Paard, Zeelandia, West Cappel en Zeeridder (Als prentbriefkaart verkrijgbaar in de museumwinkel.)

Crijnssen had bij het verlaten van de Zeeuwse haven een opdracht bestaande uit 54 artikelen meegekregen, die betrekking hadden op de expeditie en de route die moest worden afgelegd. De Engelse koopvaarders die ze onderweg tegenkwamen moesten worden veroverd dan wel vernietigd enz. De uiteindelijke verovering van “Soramme” of “Serename” diende met “soo weijnich bloetstortinge” als mogelijk was te geschieden en de gevangen genomen soldaten moesten “heuselijck en wel naer crijchs gebruyck worden getracteert sonder haer eenichsints te mishandelen”.

Niet zo bekend is dat Crijnssen zich niet altijd strikt aan de instructies heeft gehouden, wat hem overigens geen windeieren heeft gelegd. Zo heeft hij het bevel niet opgevolgd om direct na de verovering van Suriname af te reizen naar Virginia in Amerika. Inmiddels was een van de zeven schepen, het fluitschip ‘Aardenburg’ teruggekeerd naar Holland, volgeladen met suiker. Vijf andere schepen waren afgevaren naar Berbice. Crijnssen had de ‘West-Cappel’ achtergehouden, het lag bij wijze van truc onder valse Engelse vlag in de monding van de Surinamerivier.

In maart voer het Engelse fregat ‘York’ de rivier op, waarna de  ‘West-Cappel’ de achtervolging inzette. Het schip stevende recht af op het fort, dat nog steeds de Engelse vlaggen droeg. Daar werd het bestookt met kanonskogels en terugkeren kon niet meer. De ‘York’ was een “slavenhaalder” uit Afrika. De buitgemaakte slaven werden door Crijnssen verdeeld over de plantages en de olifantstanden werden naar de Nederlanden gebracht waar het ivoor in oktober 1667 te Vlissingen werd gelost. Het geschut van de ‘York’ werd op Fort Zeelandia geplaatst.

De vertraging in Suriname pakte andermaal positief uit voor de Zeeuwen. De Staten van Zeeland hadden nog enkele schepen gestuurd om hen te ondersteunen. Deze arriveerden in Suriname en werden door de commandeur naar Essequibo en Berbice gestuurd, waar ze een aanval op de Zeeuwse bezittingen door de Engelsen afsloegen. Inmiddels hadden de Engelsen het fort in oktober op de Zeeuwen heroverd.

Crijnssen is ook nog betrokken geweest bij de verdediging van Hollandse belangen in Tobago en hij heeft uiteindelijk Virginia bezocht. Bij terugkeer deed Crijnssen uitgebreid verslag, aan de Zeeuwse Staten wel te verstaan. De Staten Generaal bleven aandringen op een complete verslaggeving, maar aangezien de Zeeuwen de buit niet wilden delen, de missie van Crijnssen was per slot van rekening een Zeeuwse aangelegenheid geweest, is er nooit volledige rapportage gekomen. Crijnssen ontving een gouden ketting met medaille en werd gepromoveerd voor zijn bewezen diensten. Hij is overigens teruggekeerd naar Suriname, waar hij op 25 april 1668 wederom de Engelsen uit het fort gooide. Ditmaal vertrokken zij niet vanwege de rondvliegende kanonskogels, maar omdat bij de Vrede van Breda, gesloten op 31 juli 1667, was besloten dat Suriname voortaan Nederlands bezit zou zijn.

 

Bron:

D. Roos, Zeeuwen en de Westindische compagnie, 1992

J. Fontaine, Zeelandia, de geschiedenis van een fort, 1972 (nog steeds te koop in de museumwinkel).