Tijdens de dag van de Francophonie op 20 maart stond de Franse schrijver Proust centraal. Hij heeft in zijn lange roman over de zoektocht naar de verloren tijd een passage gewijd aan de affaire Dreyfus, een jood die onschuldig was verbannen naar de Franse strafkolonie ‘La Guyane’. Vele veroordeelden kwamen per schip aan in St. Laurent, een deel werd opgesloten in het bagno van Iles du Salut, eilanden voor de kust van Kourou. Bagnards, zoals de gevangenen werden genoemd, ontsnapten ook wel, denkt u maar aan de film ‘Papillon’. De kortste en gemakkelijkste route was dan via Suriname. Een deel van de bagnards dat in Suriname terecht kwam, was overigens vrij en verkoos het om zijn heil in Paramaribo, of elders ter wereld te zoeken (meestal Amerika). Een deel bleef in Suriname en bouwde daar zijn leven op. Zo heeft Albert Helman een gewezen bagnard als muziekleraar gehad.
Deze inleiding zal u de vraag doen stellen: wat hebben bagnards nu met het fort te maken? Er bestaat wel degelijk een connectie. Een van de laatste ter dood veroordeelden die in Fort Zeelandia is opgehangen was namelijk een ex-bagnard. Deze man, Alphonse Pierre Coutanceau, had in 1922 de Chinese winkelier Tjong Tjin Fa te Zanderij vermoord. De ex-Bagnard, een drieëndertig-jarige atleet-worstelaar en uitstekend timmerman, had de Chinees in een ‘coup du père François’ gehouden. Over deze greep ontstond later tijdens de rechtzitting de discussie of deze wel of niet dodelijk zou zijn. De winkel brandde af. De politie kwam de gevluchte misdadigers op het spoor met hulp van de indianen achter Zanderij. Ze verraadden zich door het roken van de gestolen sigaretten. De ene Fransman werd doodgeschoten terwijl Coutanceau werd ingerekend. Volgens zijn advocaat, de heer R. D. Simons, was alles wat Coutanceau tot dan toe op zijn kerfstok had, voortgekomen uit een grote vrijheidsdrang. De man had dan ook ‘La Liberté ou la mort’ op zijn borst getatoeëerd. Ogenschijnlijk zonder berouw volgde hij het proces en onaangeslagen nam hij het vonnis in ontvangst. Toch bleek het hem behoorlijk te hebben aangegrepen; hij spaarde zijn doses kinine op en nam een overdosis, waaraan ‘ieder normaal mens’ zou zijn gestorven. Coutenceau werd blind en kon niet meer lopen, maar overleefde de zelfmoordpoging. Zijn eigen galg timmeren kon hij ook niet meer.
Op 9 december van dat jaar werd Coutanceau opgehangen op de binnenplaats van Fort Zeelandia. Op de bijgaande tekening ziet u een reconstructie van de galg, getekend op aanwijzingen van timmerbaas Muntslag, die de galg heeft vervaardigd. Na deze executie zijn er nog twee ter dood veroordeelden in het fort opgehangen. Daarna is de galg gedemonteerd en op de zolder van de gevangenis opgeborgen. Delen zijn in een later stadium nog gebruikt voor reparaties aan het fort. De galg is niet, zoals de mythe gaat, in de Surinamerivier geworpen!
Bronnen:
J. Fontaine, Zeelandia, de geschiedenis van een Fort, (De Walburg Pers 1972)
D.G.A. Findlay, De geschiedenis van het bagno van Frans Guyana (De West 1976)