Museumstof 36: Van mond tot mond
januari 26, 2003
Museumstof 38: Moni: no habi famiri
februari 5, 2003
Show all

Museumstof 37: In stijl blijven

Het Surinaams Museum beheert meer dan 1200 voorwerpen die afkomstig zijn van de verschillende Bosneger (Marron) culturen. Helaas is het voorlopig nog niet mogelijk om op permanente basis een representatieve greep hieruit in het museum te presenteren. Op dit moment staat in Fort Zeelandia wel een tijdelijke tentoonstelling over Bosneger textiel. ITILFND (Zie Museumstof 32.) Het overgrote deel van die 1200 voorwerpen bestaat behalve uit het genoemde textiel uit houtsnijwerk zoals bankjes, roerspanen, pagaaien, pindawrijfplanken, waskloppers, gevels van huizen, kammen, diverse kleine voorwerpen die als souvenir gemaakt zijn, e.d. Voorts zijn er diverse zaken als aardewerk, amuletten, sieraden en muziekinstrumenten.

Er is in de loop der tijd veel literatuur over het houtsnijwerk verschenen, soms in de vorm van kleine artikeltjes, soms betreft het specialistische benaderingen. Tot de belangrijkste onderzoekers behoren de Fransman Hurault en de Amerikaan Price. De eerste specialiseerde zich in de culturen van het gebied rond de Marowijne, m.n. de Ndyuka en de Boni of Aluku (oost Suriname), de laatste specialiseerde zich met name in de cultuur van de Saramaka (centraal Suriname).

Het is in dit bestek van Museumstof niet mogelijk al te diep op deze materie in te gaan. We zullen ons in deze aflevevring beperken tot enkele algemene opmerkingen en ons voorts  vooral wijden aan het contrast tussen het houstnijwerk van oost en centraal Suriname. U kunt dan zelf in voorkomende gevallen constateren of een stuk door iemand uit oost dan wel centraal Suriname vervaardigd is.

MS-037

Vooreerst enkele algemene opmerkingen. Hurault en Price kwamen onafhankelijk van elkaar tot de conclusie dat het lang niet allemaal Afrikaans is wat de klok slaat. Natuurlijk liggen de wortels in Afrika maar in Suriname heeft het houtsnijwerk  een typisch eigen ontwikkeling doorgemaakt. Het is derhalve een grote misvatting te veronderstellen dat het houtsnijwerk voornamelijk op Afrikaanse traditie is gestoeld. Voorts kwamen beide onderzoekers onafhankelijk van elkaar tot de samenstelling van stijlperioden die in grote lijnen aan elkaar parallel lopen. Over de eventuele symboliek die in het houtsnijwerk verborgen zou liggen lopen de meningen te ver uiteen om er een duidelijke conclusie aan te verbinden. Voor Hurault lijkt elk motief een sexueel geladen betekenis te hebben. Price is veel voorzichtiger in zijn conclusie en houdt zich liever op de vlakte. In het algemeen lijkt men bovendien weleens te vergeten dat een gebruikt motief ook weleens louter als versiering kan dienen.

Hier volgen in het kort een aantal van de belangrijkste punten van onderscheid in het houtsnijwerk van oost en centraal Suriname:

  1. In het oosten laat men de in het hout gesneden “banen” (of banden) in de breedte variëren, bij de Saramaka zijn ze veel gelijkmatiger.
  2. In het oosten worden de banen in het algemeen in de lengterichting in twee of drie “lagen” verdeeld. 700-105 Bij de Saramaka is dat uiterst zeldzaam.
  3. In het oosten maakt men veel minder gebruik van passers waardoor vrijere golfbewegingen ontstaan en een minder strikt geometrisch effect gezien wordt dan bij het Saramakaans houtsnijwerk.
  4. In het oosten worden de banen aan de uiteinden vaak gepunt, bij de Saramaka vrijwel altijd afgerond.
  5. In het oosten is de hout-in-hout techniek (Tembe, in het hout gesneden vlechtwerk) minder belangrijk. Je vindt daar bijvoorbeeld wel elkaar overlappende maar niet met elkaar symetrisch vervlochten banen, zoals bij de Saramaka.
  6. In het oosten maakt men uitgebreid gebruik van felgekleurde verven, vooral op pagaaien, huisgevels en korjaaleinden. De Saramaka zijn pas veel later begonnen met het schilderen van korjaalboorden en dan nog voornamelijk in een enkele kleur.
  7. In het oosten heeft men veel meer aan pyrografie gedaan (inbranden), bijv. met loden pijpen, of kogelhulzen.
  8. In het oosten wordt veel meer gebruik gemaakt van naturalistische motieven.
  9. In het oosten is de vaardigheid van snijden in aluminium niet bekend. Bij de Saramaka is dat een tijdje in zwang geweest.
  10. De Saramaka snijdt zeer diep en strak in het hout, hetgeen een bepaalde vaardigheid vereist. Bovendien wordt er veel snijwerk gebruikt in één object. In het oosten snijdt men platter en verft men meer.
  11. In het oosten is de uiterlijke vorm van veel objecten verschillend van die van de Saramaka. Pagaaien en roerspanen hebben bijvoorbeeld kortere bredere bladen en grotere, sierlijker handvatten. De korjalen zijn in het oosten smaller. Kammen worden in het oosten vaak nog gemaakt in de enorm brede vorm die bij de Saramaka al tientallen jaren niet meer gezien is.

Bovenstaande punten, stijlverschillen, kunnen ons dus een goede dienst bewijzen bij het grofweg bepalen van de herkomst van een stuk houtsnijwerk. Specialistisch onderzoek kan binnen deze twee gebieden regionale en in tweede instantie zelfs individuele stijlverschillen aan het licht brengen. Maar dat zou ons hier te ver voeren.