Vanaf volgende week zal in het Surinaams Museum te Fort Zeelandia een expositie te zien zijn van Bosnegertextiel uit eigen collectie. Vanaf de stichting van de kolonie Suriname waren de talloze vluchtpogingen van de slaven vaak succesvol en na verloop van tijd vormden zich in het binnenland kleine gemeenschappen van gevluchte slaven: de Bosnegers of Marrons. In de kunstvormen van deze gemeenschappen herkennen we elementen die overgenomen zijn uit Afrika, de bosnegerkunst echter heeft zich in Zuid-Amerika verder ontwikkeld. Overgewaaid uit Afrika en geaccentueerd door de slavernij is het belang van individualiteit. In de slaventijd werd de persoonlijke identiteit ontkent. De meesters namen rang en stand af, de slaaf kreeg vaak een andere naam en werd een nummer in een grote groep. Dit heeft er voor gezorgd dat de ene mens zich juist wilde onderscheiden van de andere en een eigen imago aankweekte door middel van een persoonlijke decoratiestijl: houding, haardracht, huidinkervingen, sieraden of kleding. Staeheling, die als EBG-dominee in Suriname werkte, citeerde uit bronnen vóór 1800: men merkte toen op dat de Bosnegers alleen maar naar de kerk kwamen om met hun versieringen te pronken.
Het bestaan van de Bosnegers is geheel doortrokken van kunst. Vele gebruiksvoorwerpen uit het dagelijks leven zijn kunstzinnig versierd. Vooral de textiel is een handelsmerk van de Bosnegers geworden, zoals mooie pangi’s, schouderdoeken, lendedoeken, draagdoeken, mutsen en kuitbanden. Naast uitdrukking geven aan je individuele identiteit, diende de kleding in de Bosnegergeschiedenis om het lidmaatschap van een van de zes groepen aan te duiden en een gespecificeerde regionale identiteit weer te geven.
Aanvankelijk weefden de Bosnegers zelf hun textiel. Een model van het weefgetouw, de hamaka paw, vind u terug in de expositie. Zodra de mannen echter de kuststreek bezochten, kochten zij allerlei lappen. De vrouwen versierden het textiel. Al naargelang de mode gebruiken ze (nog steeds) een drietal technieken: patchwork of mamio, dit is het aan elkaar naaien van lapjes stof. Verder werd ook applicatie toegepast: het naaien van de ene stof op de andere, al dan niet in bijzondere vormen. Als laatste techniek wordt het borduren toegepast, in verschillende siersteken. Behalve kleding bewerken de vrouwen ook zakken voor casavemeel of kogels, kussenhoezen, dekdoekjes voor voedsel of hangmatten. Al deze voorwerpen kunnen versierd worden met kleurige bandjes, franjes, kwastjes, pompons van gevlochten, gedraaid of gebreid materiaal. Deze kunnen gemaakt zijn van plantenvezels of gesponnen katoen, fabrieksgaren, borduurgaren of van draad dat uit bestaande katoenen stof is getrokken.
De laatste decennia zijn veel Bosnegers naar de stad getrokken, verdreven door de aanleg van het van het stuwmeer en later de Binnenlandse Oorlog. Veel tradities zijn verloren gegaan. Vroeger leerden alle jonge meisjes, en niet slechts de getalenteerden, al op jonge leeftijd de kunst om textiel te versieren. Het bijzondere bosnegertextiel vinden we voornamelijk nog bij oudere mannen, die als aandenken aan allerlei gebeurtenissen gedurende hun leven stukken textiel hebben bewaard en dit in houten kisten bewaren. Vaak worden deze stukken dan tijdens de uitvaartriten gebruikt.
Het woord panyi is afgeleid van het Portugese pano, dat naar Nederland is overgewaaid en paantje of pantje is geworden: een lap stof van een bepaalde afmeting, groot genoeg om rond het middel te slaan. We kennen allemaal het Poelepantje-plein. Deze naam is afkomstig van ‘pull your paantje’. Mensen uit het binnenland dienden zich op de plaats waar dat plein nu is, te bedekken naar de regels die de overheid had gesteld. Volgens Oudschans Dentz heet de plaats echter zo omdat degenen die door de domineekreek moesten waden, hun panyi uittrokken zodat die niet nat werd. De odo ‘Mi na prit’ panyi’ gaat letterlijk gesproken zeker niet op voor de prachtige collectie boslandtextiel in het Surinaams Museum. Wel is het zo dat de Marrons heel wat -mooi versierde- doekjes om hun lichaam wonden.
Bron: Richard en Sally Price, De kunst van de Marrons, KIT, 1999.