Vele prominente Surinamers zijn in Fort Zeelandia begraven. Waar precies is niet bekend omdat de zerken zijn opgeruimd. Wellicht benoemde men vroeger het gehele gebied rondom het fort als ‘foto’, en niet slechts ‘bini foto’, dat alleen het binnenfort omhelst. Vlak buiten het fort liggen nu drie grafstenen, waaronder twee achttiende-eeuwse donkergrijze natuurstenen zerken met een mooie afbeelding er in uitgehouwen. Een van deze twee zerken behoorde bij het graf van Jacob Ernst Beeldsnyder Matroos. Behalve de naam is de tekst verder practisch onleesbaar. Misschien was hij familie van Wolphert Jacob, de uitgever van de eerste kranten in Suriname, die in 1772 een privilegie van de drukperse’ kreeg en in 1783 gouverneur werd? De derde steen, een marmeren, is afkomstig van een graf dat lag aan de Saramaccastraat.
Fort Zeelandia speelde vroeger een belangrijke rol tijdens begrafenissen van vooraanstaande burgers. De vrouw van Gouverneur Nepveu, Mevrouw de Gouvernante Elisabeth Buys, overleed in de nacht van 22 op 23 mei 1775 om 2 uur ’s nachts. De aankondiging werd gedaan in de Weekelyksche Woensdaagsche Surinaamse Courant. Haar uitvaart is uitgebreid beschreven. Deze beschrijving ligt een tipje van de sluier van het begrafenisritueel van de rijke kolonisten op. Overigens was mevrouw Buys de dochter van de mulattin Anna Julien, een gekleurde vrouw dus. De vlag op het fort ging halfstok vanaf 6 uur ‘s morgens werd elk half uur een kanonschot gelost, niet slechts vanaf Fort Zeelandia, maar ook vanaf de schepen op de rede. Vanaf 7 uur werd huis aan huis het overlijden bekend gemaakt door portieren en sergeanten in uniform en hoed, met geweer en rouwband om de arm. Om vijf uur in de namiddag vond de begrafenis plaats op Fort Zeelandia. Ook de rouwstoet is beschreven, het lichaam in de koets werd begeleid door 14 sergeanten. (Een pas gerestaureerde lijkkoets kunt u bekijken te Nieuw Amsterdam). Opmerkelijk is de vaste volgorde waarin de notabelen in de stoet meeliepen. Het belang van de diverse functies blijkt duidelijk. Vrouwen rouwden thuis en waren niet aanwezig bij een begrafenis.
Een grafsteen vertelt vaak een heel verhaal. In de eerste plaats geeft het materiaal reeds de welstand van de planter aan. Uit Italië geïmporteerd marmer was natuurlijk erg kostbaar. Behalve de naam, geboorte- en sterftedatum van de overledene kwam vaak een spreuk op de zerk, soms in het Latijn, zoals ‘Tandem Felix’, een gelukkig leven. Ook symbolen werden aangebracht, zoals een omgehakte boom voor een jonggestorvene. Op het graf van de vader van de bekende schilderes Maria Sybilla Merian is een vlinder uitgehouwen als enerzijds het symbool van de onsterfelijke ziel en anderzijds het symbool van dekortstondigheid van het leven. Wanneer het een belangrijke familie betrof, beitelde de steenhouwer ook wel een wapen uit in de steen. Op sommige grafzerken staat een compleet gedicht. Samuel Pichot overleed in 1763 en ligt begraven in de Nieuwe Oranjetuin. De marmeren grafzerk is met het familiewapen versierd. Het epitaaf (grafschrift) op de zerk waarin hij de hemel in werd geprezen, is nog duidelijk leesbaar:
Ofcoon de dood Pichot
die hier nu legt begraaven
verraste en als ontsloeg
van al sijn bezigheijt
nogthans zal zijnen naam
bekend bij veele braaven
steeds in gedagte zijn
der afgunst tot een spijt
U kunt zich voorstellen dat vooral de laatste regel van dit vers tot nogal wat speculaties heeft geleid.
Ook de plaats waar de overledene begraven werd, was van belang. Wanneer een planter op plantage stierf, werd hij aldaar begraven. De kosten die gepaard gingen met het begraven op diverse begraafplaatsen in de stad liepen nogal uiteen en gaven dan ook de welstand van de dode aan.
Soms werden sterfgevallen niet doorgegeven aan de kerk, wat een behoorlijke inkomstenderving betekende. Vanaf de ingebruikname van de Nieuwe Oranjetuin (aan de Gravenstraat) in 1756 mocht op de oudste hervormde begraafplaats, het kerkhof op het kerkplein, wel Oude Oranjetuin genoemd, slechts nog tegen een door de overheid bepaalde boete van F 600,- begraven worden. Dus alleen voor de rijksten! De normale prijs voor een volwassene was F 50,-, voor kinderen beneden de twaalf betaalde men F 25,-. Zodra een begraafplaats vol dreigde te raken, werd de prijs opgeschroeft, vanaf 1801 kostte een plaats op de Nieuwe Oranjetuin F 150,-. In Suriname werden overigens alleen bij de Lutheranen lichamen bijgezet in de kerk. De joodse begraafplaatsen lagen buiten de stad.
Door de uitgevaardigde plakkaten krijgen we ook enig zicht op het begraven van slaven. In een verordening uit 1711 werd bepaald dat slaven moesten worden begraven ‘bij de eerste brug aan de rechterhand van het pad gaande naar de Edele Societeits gewezene plantage op straffe van 50 gulden ten bate van de Gemeene Weide’. Er werd vaak geklaagd over de overlast van ‘dansen, zingen en geschater’. Het aantal mensen in de stoet moest beperkt zijn, bang voor opstootjes als de overheid was. Ook bepaalde het gouvernement dat ‘geen extra ordinaire doodkisten met koperbeslag of schroeven en roefen of eenige andere buitengemene sieradiën als aan gemeene doodkisten gebruikelijk is zullen mogen hebben’. Verder geen doeken of andere kleden op kist! Helaas zijn de houten gedenktekens op de slavengraven reeds lang vergaan.
Een bezoek aan een oude begraafplaats is vaak een bezoek aan een verhalentuin. Wanneer u een kijkje gaat nemen in de Oranjetuin, recentelijk schoongemaakt, zult u van alle boven beschreven versieringen voorbeelden aantreffen. En misschien ligt wel een van uw voorouders in zo’n bijzonder graf.
Bronnen: Plakaatboeken (Schiltkamp en Smidt, 1973) en Begraven en begraafplaatsen (Kok, H.,1994)