50 JAAR STICHTING SURINAAMS MUSEUM
1947 - 29 april - 1997
Laddy van Putten,
Leo Ferrier.
INHOUDSOPGAVE
3 'Koloniaal Museum'1875 - 1908/'Schoolmuseum' 1909 - 1925
4 Stichting Surinaams Museum, 1947 - heden
5 Stichting Surinaams Museum, 1e periode: 1948 - 1960
6 Stichting Surinaams Museum, 2e periode: 1961 - 1971
7 Stichting Surinaams Museum, 3e periode: 1972 - 1982
8 Stichting Surinaams Museum, 4e periode: 1982 - 1996
9 Museale inrichting, verleden en toekomstbeeld
1 Inleiding
Kan het Surinaams Museum een etnologisch
museum genoemd
worden? In de strikte betekenis van het woord waarschijnlijk wel. Uitgaande van
de westerse gedachte dat etnologie de leer is van de vergelijkende volkenkunde
die wordt afgezet tegen de eigen cultuur waarschijnlijk niet. Het Surinaams
Museum is namelijk geen museum dat de Surinaamse bevolking kennis laat nemen met
culturen van buiten Suriname. Daarentegen laat het museum wel de eigen
Surinaamse cultuur zien en die bestaat uit een aantal culturen afkomstig van
alle continenten. Behalve de oorspronkelijke bevolking, de indianen, vinden we
in Suriname als gevolg van diverse immigratiestromen vanaf de 17e eeuw
Bosnegers, Creolen, Europeanen, Joden, Chinezen, Hindoestanen, Javanen, Libanezen
en anderen. Daarmee heeft Suriname een multiculturele en multiraciale
samenleving van de eerste orde. Buiten Suriname, met name in de westerse wereld,
wordt het Surinaams Museum nog steeds wel aangeduid als een volkenkundig museum.
De Stichting Surinaams Museum zelf spreekt liever van een Surinaams cultuurhistorisch
museum.
Op 29 april 1997 bestond de Stichting Surinaams Museum 50
jaar. Reden genoeg om enerzijds eens een terugblik te werpen op deze periode die
zowel hoogtepunten als dieptepunten heeft gekend en anderzijds een blik op de
toekomst te werpen met de huidige stand van zaken als uitgangspunt. Hoewel er
kleine hiaten in het museumarchief bestaan kunnen we toch een vrij compleet
beeld vormen van de ontwikkelingen gedurende het bestaan van de Stichting
Surinaams Museum (SSM).
In Suriname zijn evenwel eerdere pogingen ondernomen om musea
op te richten. Zowel in de 19e eeuw als begin 20ste eeuw kwamen museale
instituten van de grond die echter gedoemd waren weer te verdwijnen.
Achtereenvolgens zullen we de voorlopers van het huidige museum nader bekijken,
voorts de geschiedenis van de Stichting Surinaams Museum onder de loep nemen, de
huidige stand van zaken weergeven en tot slot een blik werpen in de toekomst.
Behalve de SSM bestaan er nog twee musea in Suriname. Het ene
is een openluchtmuseum, gevestigd in een oude fortificatie, de andere is een
Joods historisch museum dat nog slechts op papier bestaat. Het openluchtmuseum,
begin jaren '80 door de overheid geconfisceerd, is door mismanagement verworden
tot een troosteloze plek. Het Joods museumpje, gevestigd nabij de ruïnes van de
oudste synagoge op het westelijk halfrond, is in de jaren '80 tijdens de
binnenlandse oorlog met de grond gelijk gemaakt. In dit artikel zullen wij ons
derhalve beperken tot het Surinaams Museum.
Naar boven
2 Suriname en Fort Zeelandia
Het Surinaams Museum is ondergebracht in een oud fort, het
Fort Zeelandia. De geschiedenis van Suriname loopt min of meer parallel aan de
geschiedenis van Fort Zeelandia. Het fort is een historisch monument en heeft
aan de basis gestaan van het ontstaan van Suriname zoals we het nu kennen. Het
fort staat op de plek waar de eerste kolonisten voet aan wal hebben gezet en van
waaruit de verdere ontwikkeling van het land heeft plaatsgevonden. De centrale
rol die het fort vroeger heeft gespeeld is vandaag de dag nog terug te vinden in
de taal. Het Surinaamse woord 'foto', dat afgeleid is van 'fort' betekent
'stad'. Dit geeft aan dat de stad Paramaribo ontstaan is bij het fort en haar
omgeving.
De historie van Fort Zeelandia begint met de komst van de
Fransen in 1644. Aan deze Franse pioniers wordt de eerste aanleg van het huidige
Fort Zeelandia toegeschreven. Dit zal echter niet meer zijn geweest dan een
fortsgewijs verstevigd houten huis. Vóór de komst van de Fransen was de kust
van Suriname slechts vluchtig aangedaan door de Spanjaarden, die gedreven werden
door verhalen over het goud van El Dorado aan deze zogenaamde Wilde Kust. Aan
Alonso de Ojeda wordt de ontdekking van Suriname in 1499 toegeschreven.
Aangezien de Spanjaarden noch de Portugezen het goud vonden, lieten ze de Wilde
Kust al snel achter aan de oorspronkelijke bewoners, de indianen.
Rond het midden van de 17e eeuw kwamen dus de Fransen naar
Suriname. Zij zouden hier echter ook niet lang blijven. Geteisterd door malaria
en aanvallen van de indianen verlieten ze het land weldra.
In 1650 stuurde de Engelsman Lord Francis Willoughby, graaf
van Parham en gouverneur van Barbados, een schip de Surinamerivier op. Het door
de Fransen verlaten fort werd, na overeenstemming met de indianen bereikt te
hebben, opgeknapt en betrokken. De nederzetting telde in 1653 al 350 mensen en
droeg als naam Fort Willoughby. In 1662 besloot Lord Willoughby zelf met een
aantal Joden naar Suriname te vertrekken en de kolonie tot grotere bloei te
brengen.
Onder het bewind van de Engelsen bloeiden de plantages en
ontwikkelde de handel en de kolonie zich in snel tempo. Een welvarende kolonie
met vele bodemschatten diende goed beschermd te worden tegen binnendringers.
Lord Willoughby besloot daarom tot de reconstructie van het fort, dat ditmaal
geheel uit steen zou worden opgetrokken. Het aldus herbouwde fort zou zijn naam
behouden tot de komst van de Nederlanders.
Binnen enkele jaren namelijk lieten de Nederlanders hun oog
vallen op deze rijke kolonie. Tot tweemaal toe raakten de Engelsen en de
Nederlanders met elkaar in oorlog. Zo ook van 1665 tot 1667. In dat jaar werd
Suriname veroverd door admiraal Abraham Crijnssen ten behoeve van de Staten van
Zeeland, een der Nederlandse provincies. De Engelse herovering volgde meteen
hierop. In hetzelfde jaar kwamen Engeland en Nederland tot overeenstemming bij
de Vrede van Breda. In de vredesakte werd besloten dat de Nederlanders het bezit
over Suriname zouden krijgen. De Engelsen kregen in ruil hiervoor de voormalige
Nederlandse kolonie Nieuw Amsterdam. Nieuw Amsterdam was gevestigd op het eiland
Manhattan en kreeg in de loop van de geschiedenis de naam New York.
Toen Suriname eenmaal in het bezit was van de Zeeuwen werd er
flink gebouwd aan het fort dat van nu af aan de naam Zeelandia zou dragen, naar
een van de schepen uit de vloot van Abraham Crijnssen en zoals we reeds zagen de
naam van de provincie die de vloot uitstuurde. Ondanks de vernietiging van de
plantages door de Engelsen bij hun vertrek, waren de opbrengsten van de
plantages aanzienlijk en was er veel handelsverkeer. Suriname was in de
beginjaren van de negentiende eeuw nogmaals Engels bezit maar het bestuur werd
na 1816 wederom aan Nederland overgedragen. Bij de overdracht bleek dat de
Engelsen weinig hadden gedaan aan het onderhoud van het fort en de verschillende
gebouwen. Een periode van verbouwingen en herstelwerkzaamheden volgde. In de
loop der jaren bleek het fort ongeschikt als garnizoen voor officieren en
soldaten. Daarom werd in 1790 een kazerne gebouwd voor onderofficieren en
minderen. Aan het einde van de 18e eeuw werd er voor de officieren een nieuw
gebouw neergezet. Dit gebouw werd later afgebroken en daarvoor in de plaats kwam
in 1839 een drietal officierswoningen.
Vanaf 1872 werd het fort uitsluitend gebruikt als gevangenis
en bleef als zodanig dienst doen tot de overplaatsing van de gevangenen naar de
nieuw gebouwde gevangenis Santo Boma in 1967, waarna de restauratie ten behoeve
van het museum een aanvang kon nemen. Na de restauratie, die enkele jaren
duurde, werd in 1972 het fort, en enkele jaren later een van de
officierswoningen, door de Surinaamse regering overgedragen aan de Stichting
Surinaams Museum. De jaren zeventig waren een tijdperk van ongekende bloei voor
het Surinaams Museum. In 1980 volgde een militaire staatsgreep. In maart 1982
moest het museum op last van het militair gezag het fort verlaten en haar
toevlucht nemen tot haar eigen locatie te Zorg en Hoop, een van de buitenwijken
van Paramaribo. Na de terugkeer van de democratie in 1987 werden het fort en
twee officierswoningen door de regering van Suriname in 1995 wederom onder
beheer van de Stichting Surinaams Museum gebracht.
In november 1995 vierde Suriname haar 20-jarige staatkundige
onafhankelijkheid. Door de Nederlandse regering werden bij wijze van cadeau aan
het volk van Suriname onder andere het fort en de beide aan het museum
toegewezen officierswoningen gerestaureerd. Sindsdien is het museum terug in het
Fort Zeelandia en wordt er hard gewerkt aan de renovatie van het fort en de
restauratie van de twee officierswoningen. Daarnaast wordt hard gewerkt aan de
museale herinrichting met permanente en tijdelijke tentoonstellingen.
Naar boven
3 'Koloniaal Museum' 1875-1908/'Schoolmuseum' 1909-1925
Zoals overal elders werd ook in Suriname in de koloniale tijd
veel verzameld dat naar het moederland werd overgebracht. Een eigen museum
bestond niet en in West Europa ontstonden de eerste musea als opvolgers van het
rariteitenkabinet. Voor de rariteitenkabinetten werd onder anderen verzameld
door reizigers, plantage-eigenaren, gouverneurs, zendelingen, kooplieden enz. Als
voorbeeld kunnen we noemen de beroemde 17e eeuwse schilderes van insecten en
planten, Maria Sibylla Merian die haar bekende reis naar Suriname maakte nadat
zij toegang had gehad tot de kabinetten van rijke kooplieden en die van de
burgemeester van Amsterdam en zij aldus kennis maakte met de wonderlijke wereld
van de Surinaamse natuur. Een ander voorbeeld is de collectie Surinamica van het
Rijksmuseum voor Volkenkunde in Leiden, Nederland. Een belangrijk deel van deze
collectie is afkomstig van het 19e eeuwse Koninklijk Kabinet voor Zeldzaamheden.
De vanuit de koloniën aangevoerde en samengestelde collecties dienden echter
veelal economische motieven. Hoe meer kennis van zaken men had omtrent zaken als
landbouw, veeteelt en dergelijke, hoe beter men in staat was om de rendementen
te maximaliseren. De educatieve waarde was in dat opzicht van wezenlijk belang.
Toch bleken er ook particuliere verzamelaars in Suriname zelf
te zijn.
In het jaar 1875 ontving het Surinaamse gouvernement van de
ontbonden vereniging 'Surinaams Genootschap ter Bewaring van Kennis', dat sinds
1864 ook een museum beheerde, een schenking van een verzameling zoölogica.
Langzamerhand werden hierbij enige in Suriname beschikbare oudheden, geologica
en etnografica gevoegd en het Koloniaal Museum, zoals de nieuwe naam luidde,
was een feit. Het Koloniaal Museum werd in het zogenaamde Logeergebouw onder
beheer gebracht van de gouvernementssecretaris en sedert 1888 onder beheer van
de inspecteur van Onderwijs. Er zou een kern moeten worden gevormd die voor
verdere uitbreiding vatbaar was. Op 21 oktober 1907 werd door de overheid een
commissie ingesteld om maatregelen te treffen tot verbetering van de slechte
staat waarin de Koloniale Bibliotheek waaraan het Koloniaal Museum gekoppeld
was, toen verkeerde. Gebleken was dat uitbreiding van de bibliotheek met een
museum, geresulteerd had in verwaarlozing van beide. Bij onderzoek bleek dat de
museumcollectie onbetekenend, twijfelachtig was en in staat van ernstig verval.
Na 33 jaren werd in 1908 het Koloniaal Museum opgeheven. De collecties van het
opgeheven Koloniaal Museum, die bestonden uit schelpen, gesteenten, enige
opgezette vogels, viervoeters en flessen met slangen op alcohol, werden over
openbare- en particuliere scholen verdeeld en ondergebracht in wat toen het
Schoolmuseum werd genoemd. Een deel van de collecties moest worden weggegooid.
Ook het Schoolmuseum werd opgeheven en wel in 1925. De liquidatie volgde in
1929. Wederom moesten de collecties deels worden weggegooid of kwamen tenslotte,
in 1930, op een openbare veiling terecht. Niet iedereen was het ermee eens dat
het Schoolmuseum opgeheven werd. Met name uit onderwijskringen werden hierover
boze brieven gericht aan de minister van Koloniën in Den Haag, Nederland.
Naar boven
4 Stichting Surinaams Museum, 1947 -
heden
Driemaal is scheepsrecht zegt men
wel eens. Volgens van Dale
een zegswijze waarmee men een derde herhaling rechtvaardigt. En dat lijkt ook zo
te zijn. Na het Koloniaal Museum en het Schoolmuseum volgde in 1947 de
oprichting van de Stichting Surinaams Museum. Inmiddels is de SSM de langst
bestaande museale instelling in Suriname en ziet de toekomst er hoopvol uit. Het
had anders kunnen zijn! Midden jaren tachtig verscheen in kranten, zowel in
Suriname als in Nederland, het bericht dat het Surinaams Museum op korte termijn
zijn deuren zou moeten sluiten. De middelen waren op. Er was geen geld meer om
het personeel uit te betalen. Enorme inspanningen, niet in de laatste plaats van
de kant van het personeel, hebben de dreigende sluiting, onder andere in een
directieloze periode, voorkomen.
Op 22 maart 1946 kwamen reeds 17 geïnteresseerden bijeen in
het toenmalige kantoor van Mijnbouw, waarbij eendrachtig de wens naar voren kwam
om een museum te stichten. De SSM werd op 29 april 1947 opgericht. Aanleiding
tot de oprichting was onder andere het feit dat tijdens de tweede Wereldoorlog
een groeiend nationaal bewustzijn ontstond. Het was in die tijd namelijk, dus
kort vóór de oprichting van de SSM zeer actueel dat kostbare collecties het
land verlieten. Er heerste grote bezorgdheid over met name Amerikaanse
antiquairs die met hun dollars alles konden opkopen en het land uitdragen. Zo
verging het bijvoorbeeld kostbare collecties creoolse hoofddoeken, een collectie
entomologie en een collectie indiaanse artefacten. Of het wegdragen van
cultureel erfgoed in de jaren daarna en tot op de dag van vandaag is afgenomen,
is nog maar zeer de vraag. Nog altijd verdwijnt veel naar het buitenland. Hoewel
er sinds 1952 een wetgeving is op dit vlak wordt daar nauwelijks de hand aan
gehouden.
In 1953 organiseerde het departement van Onderwijs en
Volksontwikkeling een tentoonstelling onder de naam 'Suriname'. Het grote
bezoekersaantal, 25% van de Surinaamse bevolking, maakte eens te meer de
behoefte aan een eigen museumgebouw duidelijk.
Pas in 1954 kon de SSM over een eigen expositieruimte
beschikken. In dat jaar werd door de Stichting Wosuna (Wetenschappelijk
onderzoek Suriname en de Nederlandse Antillen) ruimte in hun gebouw ter
beschikking gesteld. Op 24 februari 1968 kwam dat gebouw voor een symbolisch
bedrag in eigen bezit van de SSM.
Er zijn berichten die er op duiden dat al sedert eind jaren
'40 werd overwogen om Fort Zeelandia te restaureren en te bestemmen als museum.
Eind jaren '50 lag daartoe zelfs al een volledig ontwerpplan op tafel. In 1965
garandeerden de toenmalige Staten van Suriname in een openbare vergadering dat
de SSM in aanmerking zou komen om Fort Zeelandia in beheer te krijgen. Eind
jaren '60 was het zover. Er werd toen begonnen met een grondige restauratie van
het fort en in 1972 kon het museum haar intrek nemen. Helaas was dat niet van
lange duur. Na de staatsgreep van 1980 besloot het militair gezag uit
lijfsbehoud het Fort Zeelandia in 1982 te confisceren. De vele protesten vanuit
de bevolking mochten niet baten. Binnen luttele weken was het fort ontruimd en
waren de collecties overgebracht naar het eigen pand. Jaren van demotivatie en
verval zetten in. Eind jaren '80 was er sprake van enige opbloei. Op 23 november
1995 gingen de deuren van het fort na een grondige renovatie wederom voor het
museumpubliek open.
Momenteel beschikt de Stichting over haar eigen pand te Zorg
en Hoop, het Fort Zeelandia en twee 19e-eeuwse zgn. officierswoningen op het
fortcomplex.
Naar boven
5 Stichting Surinaams Museum, 1e periode:
1948-1960
In deze periode had de SSM nog geen eigen personeel. De
stichting viel min of meer onder de hoede van de WOSUNA, die gehuisvest was in
haar eigen pand waar de SSM werd ondergebracht. Midden jaren '60 veranderde deze
stichting van structuur, opzet en naam in Wetenschappelijk Onderzoek van de
Tropen WOTRO, die ook voor Suriname ruimere mogelijkheden had. De SSM was in
deze periode nog bezig haar eigen werkgebied af te tasten. Personeel in dienst
van WOSUNA en later WOTRO, verrichtte taken en diensten voor het museum. Er werd
voornamelijk archeobiologisch onderzoek verricht (natuurlijke historie).
Aanwezige correspondentie hierover met instituten in Nederland betrof C14
dateringen.
De SSM had geen eigen inkomen, overheidssubsidie noch
begroting. Uit aanwezige nota's blijkt dat WOSUNA en WOTRO betalingen deden voor
het museum. De eerste informatie over subsidiëring van de SSM door de overheid
blijkt uit een beschikking van 1960 van het ministerie van Onderwijs en
Volksontwikkeling. De subsidie bedroeg toen Sf 12.000 per jaar. In deze
beschikking staat eveneens vermeld dat in 1959 hetzelfde bedrag aan subsidie
werd toegekend. Er is geen informatie of ook eerder dan dat jaar subsidie van de
overheid werd ontvangen. De directeur van het museum stond als wetenschappelijk
ambtenaar op de betaalrol van het ministerie van Binnenlandse Zaken.
Naar boven
6 Stichting Surinaams Museum, 2e periode:
1961-1971
De diverse museale werkzaamheden namen een steeds stabieler
gestalte aan, de formatie van eigen personeel vond plaats en men voerde een
gericht museumbeleid. Samen met belangrijke personen uit het Surinaams
bedrijfsleven, dat grote belangstelling voor het museum had, werd deelname
overwogen aan de effectenhandel om van een eigen inkomen verzekerd te zijn. De
plannen vonden echter geen voortgang. Midden jaren '60 vertrok de onderdirecteur
naar Nederland voor een speciaal samengesteld studieprogramma. Hij bereikte
uitstekende resultaten en kwam als conservator van het museum eveneens op de rol
van het ministerie van Binnenlandse Zaken te staan. Dit ministerie werd in deze
periode door het stichtingsbestuur benaderd met een verzoek om ook het overig
museumpersoneel in dienst te nemen. Het verzoek werd afgewezen met het advies
zich hiervoor te wenden tot het ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling.
Die poging echter had ook geen goed resultaat. Het personeel van het museum
moest betaald worden uit de toegekende subsidie die ook toen daarvoor
ontoereikend was. In 1965 garandeerden de toenmalige Staten van Suriname in een
openbare vergadering dat het museum in aanmerking zou komen om Fort Zeelandia in
beheer te krijgen. Dit pand, dan nog gevangenis, zou vrij komen nadat een
nieuwe, in aanbouw zijnde gevangenis zou zijn opgeleverd en het ministerie van
Justitie bedoeld pand terug zou hebben gegeven aan het ministerie van Openbare
Werken en Verkeer waaronder alle openbare gebouwen en terreinen ressorteren.
Vervolgens zou de overdracht aan het museum moeten plaats vinden. Eind jaren '60
werd het steeds duidelijker dat Fort Zeelandia als museum zou worden bestemd en
er werden zeer verantwoorde en uitstekende plannen gevormd met het oog op de
museale inrichting van het Fort. De belangrijkste te formuleren aspecten daarbij
waren die van eenheid van de totale bevolking en de grote aandacht voor
culturele facetten bij elke bevolkingsgroep afzonderlijk. In deze periode kwamen
vruchtbare contacten met musea in Nederland tot stand waarvan in het archief
aanwezige rapporten van Nederlandse deskundigen over het Surinaams Museum,
getuigen. Voorts kwam er een relatie tot stand met de Stichting voor Culturele
Samenwerking Suriname en Nederlandse Antillen, STICUSA. Contacten met musea en
aanverwante instituten en wetenschappers uit vrijwel alle disciplines in Amerika
en de regio namen toe en bestendigden zich. Ook deze contacten leverden
vruchtbare resultaten op. De SSM nam actief deel aan onderzoekingen van WOSUNA,
WOTRO en ook wetenschappelijke instituten in Amerika. Een belangrijk resultaat
hiervan was het tot stand komen van een zeer uitgebreide en gespecialiseerde
wetenschappelijke bibliotheek.
Naar boven
7 Stichting Surinaams Museum, 3e periode:
1972-1982
In deze periode was het museum gehuisvest in het inmiddels
gerestaureerde Fort Zeelandia. Door de minister van Openbare Werken en Verkeer
werd Fort Zeelandia op 25 september 1972 overgedragen aan de voorzitter van het
stichtingsbestuur, waarbij onder andere aanwezig waren de minister van Onderwijs
en Volksontwikkeling en de Nederlandse minister van Onderwijs en Wetenschappen.
Afgezien van enkele ernstige, conflictueuze verwikkelingen aan het begin en
eind, was deze periode er toch een van ongekend grote bloei van het museum
dankzij het dynamisch beleid van zowel de directeur als het bestuur. Het accent
in deze periode lag op een wetenschappelijk verantwoord beleid. Ook in andere
opzichten moest het museum efficiënt en lucratief gerund worden. Door verhuur
van ruimten voor recepties, vergaderingen en dergelijke en ook enkele andere
speciale activiteiten, slaagde de stichting er in deze periode in een behoorlijk
budget uit eigen inkomen op te bouwen waaruit tal van zaken bekostigd konden
worden waarvoor de subsidie te krap was. Er vond een opmerkelijke toename plaats
van relaties in de regio en elders in het buitenland.
Aan het eind van deze periode werd in maart '82 de nood- en
doodsklok voor het museum geluid. In opdracht van het militair gezag moest met
ingang van 1 april '82 het Fort Zeelandia ontruimd zijn. Voor transport naar het
eigen pand zou gezorgd worden. Er viel geen half woord te discussiëren!
Naar boven
8 Stichting Surinaams Museum, 4e periode:
1982-1996
Deze periode begon met een directeurswisseling alsmede
mutaties in het bestuur. Na het gedwongen vertrek uit Fort Zeelandia werd als
noodoplossing de inrichting van de grote zaal in het eigen pand ter hand
genomen. Geprobeerd werd om er wisselende tentoonstellingen neer te zetten. Dit
kon echter niet volgehouden worden. De zaal stond maandenlang leeg en er was
geen sprake meer van museale activiteiten. Door de ontruiming van Fort Zeelandia
kreeg het museum een zware morele klap te verwerken die zich gaandeweg steeds
funester deed gelden. Deze periode mag niet los gezien worden van de algehele
situatie in het hele land waarvan het museum logischerwijze een afspiegeling
was. Er was sprake van totale demotivatie bij bestuur, directie en algeheel
personeel. In 1987 werd een uitzichtloos dieptepunt bereikt. Overwogen moest
worden of het museum beter kon sluiten om met de schaarse middelen voorzieningen
te treffen voor het personeel. Alle museale taken waren onbeweeglijk tot
stilstand gekomen. Gelukkig waren er ook personen die de fatale ontwikkelingen
van het museum op de voet volgden. Op 1 februari 1987 volgde het eervol ontslag
van de directeur en vonden er mutaties plaats binnen het bestuur. De directeur
uit de periode 1972-1982 kwam als fungerend directeur in het museum terug.
Dankzij zijn slagvaardigheid en dynamisch beleid lukte het hem om binnen de
kortste keren het museum weer uitstekend op gang te brengen.
Vervolgens kwam er een cultureel antropoloog als conservator
in dienst. In april 1990 was het museum in zoverre hersteld dat de post van
directeur overgedragen kon worden aan een jonge historicus. Hij bleef 5 jaren en
ging per 1 april '95 met eervol ontslag. In deze periode werd er beter dan
voorheen gestreefd naar het steeds professioneler worden van het totale
museumbeleid. Per 1 april 1995 vond er een directeurswisseling plaats. De
conservator werd waarnemend directeur, bijgestaan in de directie door de
administratrice. Zij volbrachten met bestuur en overige deskundigen de
onnoemelijk zware taak om in vlot tempo de renovatie en herinrichting van Fort
Zeelandia van de grond te krijgen. Het Fort Zeelandia werd inmiddels op 23
november 1995 door de minister van Onderwijs & Volksontwikkeling
overgedragen aan de voorzitter van het bestuur van de Stichting Surinaams
Museum. Dit algehele proces van retour naar Fort Zeelandia als een nieuw begin
heeft overal enthousiaste bijval gevonden. Heel de gemeenschap heeft intens
meegeleefd en alles ziet er naar uit dat het museum binnen niet al te lange tijd
een nieuwe bloeiperiode tegemoet gaat.
Naar boven
9
Museale inrichting, verleden en toekomstbeeld
Tot aan de verhuizing naar Fort Zeelandia in 1972 was de
inrichting van het museum niet meer dan een rariteitenkabinet. De grote zaal die
ter beschikking stond, was volgepakt met vitrines met een ratjetoe aan
materiaal. De ruimte leek eerder op een depot dan op een weloverwogen museale
presentatie. De collecties bestonden uit zowel cultuurhistorisch als
natuurhistorisch materiaal.
Na de grondige restauratie van Fort Zeelandia die plaatsvond
tussen 1967 en 1972 werd het fort opgeleverd ten behoeve van de museale
bestemming die het zou gaan krijgen. Bij de restauratie was daar rekening mee
gehouden.
Voor de inrichting van Fort Zeelandia werden de diverse
bevolkingsgroepen in afzonderlijke zalen ondergebracht. De inrichting was
gestoeld op etniciteit. In een van de bij het fort staande 19e eeuwse
officierswoningen werden stijlkamers anno 18e en 19e eeuw ingericht. Beeldende
kunst was ondergebracht op een van de zolders. Hoewel gedurende de jaren '60
aldoor plannen waren gemaakt voor de wijze waarop Fort Zeelandia als museum zou
moeten worden ingericht, stond men toen het in 1972 eenmaal zover was, eigenlijk
voor een fait accompli. Hoe moest het museum worden ingericht? Naar Amerikaans
of Europees model zou natuurlijk volkomen verkeerd zijn en ook de voorbeelden
uit de regio waren niet zo direct van toepassing op Suriname. Men zocht naar een
duidelijk denkbeeld over een museum in Suriname met een verantwoord beleid dat
rekening zou moeten houden met de bevolkingsopbouw. Geen enkele etnische
groepering mocht te kort gedaan worden. Het idee voor de afzonderlijke
inrichting van elke bevolkingsgroep apart, kwam oorspronkelijk uit Amerika en
werd daarna door Surinaamse en Nederlandse deskundigen uitgewerkt. Zo waren er
de Afrikazaal, de Asiozaal en de Indianenzaal. In elke zaal werd de cultuur van
de betreffende etnische groepen in Suriname gepresenteerd. Voorts waren er de
zogenaamde stadszaal, een zaal waarin o.a. de geschiedenis van Suriname en het
ontstaan van de stad vanuit het fort getoond werden en de 'commandantskamer'.
Als experiment blijkt dat deze wijze van exposeren toch goed
en heel functioneel is geweest. Men kreeg aldus een duidelijk overzicht van en
een goede introductie tot de fundamentele zaken waarop de totale Surinaamse
cultuur gegrondvest is. Er was in die dagen in feite geen goed alternatief. In
Suriname kwam hierop echter hevige kritiek vanuit bepaalde politieke partijen en
kringen. De inrichting van het museum werd door hen beschouwd en veroordeeld als
niet anders dan de weergave van een koloniaal beleid van uitbuiting,
onderdrukking en verdeel- en heerspolitiek gezaaid tussen bevolkingsgroepen.
Beginjaren '70 namen deze zaken ernstige proporties aan en werd museumdirectie
en bestuur dit zodanig verweten dat er zelfs een maandenlange pershetze tegen
het museum werd opgezet. Eind jaren '70, en begin jaren '80 ontstond een
soortgelijke situatie van nog kwalijker aard. Dit alles trof zeer pijnlijk
aangezien er juist geprobeerd was deze kritiek te voorkomen. De opstelling
zijdens het museum was geenszins rancuneus. Integendeel stond men open voor
opbouwende kritiek en stelde men zich tegenover een ieder verzoenend op.
Verantwoording van deze kwesties werden in het archief als zeer desastreuze
verwikkelingen bijgehouden. Zij hebben het museum publiekelijk nogal geschaad.
Gelukkig kon het museum in diezelfde tijd met trots aan het
ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling schrijven dat het er alles aan zou
doen om de uitstekende relatie met de overheid, inclusief het ministerie van
Financiën te blijven onderhouden. De Stichting Surinaams Museum stelde echter
dat zij onder geen enkele voorwaarde de eigen, zelfstandige en onafhankelijke
positie als stichting zou prijsgeven.
Toen het fortcomplex in 1994 weer vrijgegeven werd, kon de
SSM wederom over de panden beschikken die zij voorheen ook beheerde. Er werd
door de overheid bovendien een extra huis aan de SSM toegewezen. Momenteel
beschikt de SSM voor haar museale taken dus over het eeuwenoude Fort Zeelandia,
een 18e eeuwse en een 19e eeuwse officierswoning. Dat biedt de mogelijkheid om
wat efficiënter met de ruimte in het fort om te gaan. Kantoorruimtes hoeven nu
niet meer afgesnoept te worden van de zalen in het fort.
Een van de officierswoningen herbergt inmiddels de kantoren
van directie en administratie. De andere officierswoning, het toegevoegde extra
huis, krijgt een tweeledige functie. Op de zolderverdieping komt het kantoor van
de educatieve dienst. De begane grond en de eerste verdieping zullen als
tentoonstellingsruimte dienst gaan doen, waarbij op de begane grond op
semipermanente basis beeldende kunst tentoongesteld zal worden. De verdieping
daarboven zal worden ingericht met stijlkamers. In tegenstelling tot de overige
woningen op het complex is dit 18e-eeuwse huis uit steen opgetrokken hetgeen de
brandveiligheid natuurlijk alleen maar ten goede komt.
Binnen de muren van het fort zal de inrichting uit (semi-)permanente
en tijdelijke tentoonstellingen bestaan. Tot de permanente opstellingen kunnen
gerekend worden de "Geschiedenis van Suriname" en de
"Geschiedenis van Fort Zeelandia". Vooral de laatste tentoonstelling
heeft een cruciale betekenis. Niet alleen als historisch monument is de
geschiedenis van het fort interessant, juist ook om wat zich allemaal binnen de
muren van het fort afgespeeld heeft. Nadat eind 1982 15 tegenstanders van het
militaire regime binnen het fort standrechtelijk geëxecuteerd werden, is het
fort een emotioneel zwaar beladen plek. Velen hebben er om deze reden moeite mee
het museum te betreden. Anderen komen er in het geheel niet meer. Het fort heeft
een geschiedenis van bijkans 350 jaar ellende achter zich. Er werden slaven
gemarteld en het diende onder andere als gevangenis. In 1922 vond de laatste
dood door ophanging plaats op de binnenplaats. Uitgaande van de gedachte dat elk
volk van zijn verleden moet leren is het een goede zaak dat het museum juist op
deze plek is ondergebracht. Een grote educatieve waarde is derhalve inherent aan
de aan het fort gewijde tentoonstelling.
Binnen de muren van het fort is een gevangeniscel in de
oorspronkelijke staat geconserveerd. De inrichting van deze cel blijft uiterst
sober. Er brandt continu een kaars en aan de muur hangt de tekst "allen die
in de loop der tijd in Fort Zeelandia het leven lieten, willen wij hier in
stilte gedenken". De reacties hierop zijn zonder uitzondering zeer
positief.
De overige zalen zullen enerzijds gebruikt worden voor
tijdelijke tentoonstellingen en anderzijds voor de verhuur aan derden.
Uiteindelijk zullen de museale en andere taken van de stichting voor de toekomst
veiliggesteld moeten worden en daarvoor zullen gelden moeten worden gegenereerd.
De tijdelijke tentoonstellingen zullen zowel op basis van de eigen collecties
tot stand komen als in samenwerking met derden of integraal van derden worden
overgenomen. Zij hebben veelal een thematisch karakter en hoeven niet per
definitie een Surinaams onderwerp als thema te hebben.
Inmiddels is de SSM op 29 april 1997 haar tweede 50 jaren
ingegaan. De verwachtingen ten aanzien van de toekomst zijn hoog gespannen. In
de jaren 70 stond het Surinaams Museum in de Caribische regio bekend als een der
betere in zijn soort. Na de militaire staatsgreep van 1980 en met name ná de
moord op 15 tegenstanders van het militaire regime binnen de muren van het
inmiddels geconfisceerde museum, zette het verval snel in. Contacten met
buitenlandse instituten vielen weg en de informatiestroom van buiten, met name
ten aanzien van de bibliotheek, droogde op. De SSM raakte volledig geïsoleerd
en raakte financieel gesproken volledig aan de grond.
Sinds enkele jaren trekken de contacten weer langzaam aan en
vooral sinds de terugkeer naar het fort gaat dit in versneld tempo. Buitenlandse
musea, met name in Nederland, ondersteunen het Surinaams Museum zowel materieel
als op het personele vlak. Uitwisseling van tentoonstellingen vindt plaats en
deskundigen van buiten komen projectsgewijs kennis overdragen.
Met het achterlaten van de eerste vijftig jaren kunnen we
constateren dat het museum voorzichtige stappen zet op weg naar museale
volwassenheid. De overwegend amateuristische inslag van de eerste vijftig jaren
zal langzaam plaats moeten maken voor professionalisering van het museale werk.
Deskundige hulp van buiten is daarbij onontbeerlijk. Suriname kent geen museale
opleiding noch traditie en kennis van zaken moet van elders gehaald worden. Het
streven is er voorts op gericht om op grond van een gemeenschappelijk verleden
niet alleen met het voormalige moederland museale contacten te onderhouden maar
vooral ook om een plaats te verwerven binnen de museale wereld van de Caribische
en Latijns-Amerikaanse regio.
Naar boven
10
Literatuurlijst
Adeline Muller Stichting (1991) Suriname en Zijn Historie,
Bouw en inrichting van een Museum ter bevordering en stimulering van het
cultureel gevoel en het conserveren van de culturele geschiedenis en culturele
geschiedkundige voorwerpen. Paramaribo.
Concept Nota Cultuurbeleid 1988-1993 (1988). Paramaribo.
Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling.
Douglas, J. (1973). 'Ontwikkeling van het Museumwezen', Adhin, J.H. (red.), 100 jaar Suriname. Gedenkboek
i.v.m. een eeuw immigratie (1873 - 5
juni - 1973). Paramaribo. Nationale Stichting Hindostaanse Immigratie.
Egger, J. (1989). 'De verhuizing van het museum uit het Fort
Zeelandia', Kala.....
Lont, Ch.R.W., 'Ontwikkeling van het bibliotheekwezen', Adhin,
J.H. (red.), 100 jaar Suriname. Gedenkboek i.v.m. een eeuw immigratie (1873 - 5
juni - 1973). Paramaribo. Nationale Stichting Hindoestanen Immigratie.
Leo Henri Ferrier (1940,
Paramaribo)
Verbleef van 1961 tot 1971 in Nederland waar hij als
hoofdonderwijzer werkte bij het openbaar onderwijs in Den Haag en Amsterdam.
Studeerde muziek met als hoofdvak piano, daarbij zeer grote belangstelling voor
literatuur, klassieke Indiase- en West-Europese filosofie en sociologie van
niet-westerse volken. Publiceerde er zijn beide romans Atman in 1968 en El
Sisilobi in 1969. Daarna enkele literaire essays, artikelen en recentelijk nog
brieven. Vanaf 1971 voorgoed teruggekeerd in Suriname, werkte hij enige jaren
bij het openbaar onderwijs en was hij als docent piano verbonden aan de
Volksmuziekschool. Vanaf juni 1979 tot heden is hij als stafmedewerker werkzaam
bij de Stichting Surinaams Museum.
Laddy van Putten (1952,
Nederland)
Studeerde culturele antropologie aan de Rijksuniversiteit
Leiden, Nederland. Sinds 1986 was hij werkzaam als coördinator bij de afdeling
Cultuurstudies van het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling,
Paramaribo, tijdens welke periode hij als conservator ter beschikking werd
gesteld van de SSM. Per 1 april 1995 is hij directeur van de Stichting Surinaams
Museum.