Museumstof 272: de politie in vroeger tijden

Museumstof 271: De zorg voor weeskinderen
June 3, 2019
Museumstof 273: Cojo, Mentor en Present in spiegelbeeld
June 3, 2019
Show all

Museumstof 272: de politie in vroeger tijden

De politie is altijd wel in het nieuws, want zij waakt over onze veiligheid en bemiddelt bij kleine geschillen. Zodra de kolonie Suriname door de Engelsen werd gesticht en het Fort (toen Fort Willoughby) gebouwd, werd er ook een soort politieteam ingesteld door de overheid, om de inwoners te beschermen. Dit werd de burgerwacht genoemd. Dit was in navolging van Amsterdam, waar al een groep van vrijwilligers werd aangesteld in 1653 om de stad te beschermen tegen invallen door buitenlandse machten.

Aanvankelijk bestond de groep slechts uit blanke mannen, die verplicht waren dienst te doen, ieder zo’n twee tot drie keer per maand. Men diende 3 jaar, of kon dit afkopen voor 100 gulden. Dit veranderde onder gouverneur Jan Nepveu (1719-1779) die uit een Hugenoten familie stamde en als kleine jongen naar de kolonie kwam. Hij was al secretaris van gouverneur Mauricius en kende de omstandigheden in het land door en door. Dit in tegenstelling tot de vele gouverneurs die maar voor enkele jaren naar Suriname kwamen. Hij legde het Kordonpad aan, liet een korps van de Schots-Nederlandse Brigade komen (waaronder John Gabriel Stedman) en hij installeerde twee nieuwe burgerwachten: het Korps Vrijnegers (1770) dat bestond uit twee afdelingen van vrijgeboren of gemanumitteerde zwarten en gekleurden, en het Korps Zwarte Jagers (1772). Deze werden door het gouvernement aangekocht en getraind. Na 5 jaar dienen ontvingen ze hun manumissiebrief en konden ze een stuk grond krijgen in de wijk Frimangron.

Een toepasselijke illustratie uit de tijd van de burgerwacht is niet in onze collecties. Wel een mooie afbeelding van hoe de politie er eeuwen later uitzag: inspecteur Lo A Sjoe, ca. 1930. Fotostudio Amo.

In de collectie van de bibliotheek van de Stichting Surinaams Museum ligt een document dat alles met de burgerwacht te maken heeft. In 1779 liet het Hof van Politie een klein boekje drukken in Paramaribo: ”Verzameling van alle de Reglementen, Instructiën en ordonnantiën zoo omtrent de Burgernagtwagten als in gevalle van onverhoopte Brand aan Paramaribo” waarin de regels, alle achttien op een rij, zijn vastgelegd voor de verschillende burgerwachten. In een aanhangsel met vijftien reglementen staan de afspraken waaraan de vrije mulatten en de negerkorpsen zich  moesten houden. Deze verzamelden niet in de stad, maar aan het Pad van Wanica, nabij de recente uitbreiding van de stad, ”Nieuwe Lands Grond”. Elk uur moesten ze een patrouilleronde uitvoeren gedurende de nacht. Alle vrije mulatten en negers van de gekleurde korpsen namen zo deel aan een vrije gemeenschap, door hun rol als nachtwacht uit te voeren. Voor de installatie van de gekleurde korpsen werden de mannen voorheen alleen opgeroepen wanneer er gevaar dreigde. Dit speelde meestal als zij op marrons moesten jagen die zich te dicht bij de stad begaven of de plantages aanvielen. Dan was het meestal via het Kordonpad.

Paramaribo was verdeeld in vier divisies, en dus vier nachtwachten. Kwartier 1 diende onder de oranje vlag, onder kapitein J.E. Vieira en zij kwamen bij elkaar op het (Oranje)plein. Het tweede kwartier droeg een witte vlag en stond onder bevel van Lod. Meyer. De blauwe vlag was voor de derde wijk, gecommandeerd door C. Bliek en de vierde wijk met een groene vlag diende onder Jan Daames. In het reglement zijn de wijken duidelijk gemarkeerd met grenzen, zodat iedereen wist waar hij zijn ronde moest lopen. En alle niet-blanken die zij aantroffen op straat, werden gearresteerd, of ze nu vrij waren of slaaf. Volgens Herlein (1770) droegen alle leden van de burgerwacht een snaphaan, een soort geweer. En munitie plus kruit. De burgerwacht was een belangrijke organisatie om de burgers te beschermen, maar ook een waarbinnen vrije gekleurde mensen zich konden inzetten. Het boekje werd breed verspreid onder de bevolking, want het was van belang dat hun medewerking optimaal was, en ze moesten dus op de hoogte zijn van de inhoud. Dat was vroeger zo, en dat is nu nog steeds zo.