Museumstof 257: Gekleurde kinderen.

Joden in de Cariben – tentoonstelling in het Surinaams Museum – verlengd tot en met 22 mei 2016
March 29, 2016
Museumstof 258: Museumnacht 2016
August 28, 2016
Show all

Museumstof 257: Gekleurde kinderen.

Zoals gebleken is uit diverse afleveringen van Museumstof, fungeerde Fort Zeelandia ook als gevangenis. Soms hadden zij, die in de boeien geketend waren, een scabreuze geschiedenis achter zich. Zo werden Maria Keijser en een neger van de plantage van Jacobus Wilderland aan de Boven-Commewijne in 1710 opgesloten te Fort Zeelandia. In de Surinaamse bronnen zijn slechts enkele seksuele relaties tussen zwarte mannen en witte vrouwen vastgelegd. Van Lier haalt twee situaties aan in zijn studie ‘Samenleving in een grensgebied’. Aan het begin van de achttiende eeuw waren deze twee gevallen voor Gouverneur Johan de Gooijer aanleiding om op 28 januari 1711 een plakkaat uit te vaardigen. Deze wettelijke bepaling handelde over het verbod op samenleving tussen blanke vrouwen en zwarte mannen:

‘…dat wij tot ons leetweesen ondervonden hebben dat sommige vrouwspersoonen sig niet hebben ontsien van vleeschelijk gemeenschap te houden met negers ende dewijl dat  saken sijn streckende tot een groot schandaal voor de geheele colonie: […] eenig blank vrouwspersoon, ongehuwt sijnde, vleeschelijke gemeenschap sal hebben gehouden met een neger, hetselfve vrouwspersoon strengelijk sal werden gegeselt ende voor haer leven uyt dese colonie gebannen.’ Een getrouwde vrouw wordt tevens gebrandmerkt voordat ze wordt verbannen. ‘[…] zal de neger daarmede hetselve sal zijn geschiet sonder eenige conniventie met de dood werden gestraft.’

Kinderen van een zwarte vader en blanke moeder waren uit den boze. Winkels heeft hier (in 1850) een gekleurde moeder getekend met haar kind. Witte vaders waren er veel.

Kinderen van een zwarte vader en blanke moeder waren uit den boze. Winkels heeft hier (in 1850) een gekleurde moeder getekend met haar kind. Witte vaders waren er veel.

Het geval waarop de gouverneur de wetgeving baseerde, betrof de aanvraag tot echtscheiding van een zekere Barend Roelofs die afwilde van zijn vrouw Maria, omdat zij een mulattenmeisje had gebaard. De twee schuldigen moesten voor het Hof verschijnen ‘ende naar bevindinge van Saaken ten exempel van anderen gestraft.’ Luitenant Jacobus Bloos dient ze beiden op plantage op te halen en te voorkomen dat ze onderweg naar de stad met elkaar spreken en hun verklaringen op elkaar af zouden stemmen. Op 18 januari 1711 is opgetekend in de notulen dat beiden inmiddels zijn opgepakt ‘ende op de forteressen doen bewaaren’. Met de ondervraging waren belast de heren Amsincq en Cuijlenburg.

Bij de deliberaties over deze zaak werd een precedent aangehaald: al eerder was Judith de Castre na samenzijn met een zwarte man zwanger geraakt. Deze behoorde ‘tot de plantage van wijlen capitein Durham.’ Inmiddels was ze getrouwd met een zekere Jean Milton. De Raden besloten dat het kind ‘nochte ook haar moeder, ofte ijemand anders wie het soude mogen weesen haar mulatte kind noyt aan Paramaribo sullen hebben te brengen of doen brengen, op poene van arbitraire straffen.’ Het opmerkelijke is, dat er inmiddels al heel wat mulattenkinderen geboren waren uit betrekkingen tussen zwarte of gekleurde moeders en blanke vaders. Hoe de mensen in Paramaribo aan dit kind konden zien dat het een witte moeder had, blijft de vraag. Deze aanzegging maakt echter wel duidelijk dat de Raden binnen de kleine Surinaamse gemeenschap ervoor zorgden, dat de vrouwen die het waagden een oogje op zwarte mannen te werpen, aan volledige sociale isolatie werden onderworpen.

Later, in 1730, heeft de Joodse Ganna, dochter van Levy Hartogh, het toch gewaagd een relatie aan te gaan met Jantje den Indiaan, een slaaf van Jacob Aron Polack. Zij werden betrapt. Hij werd opgehangen en zij werd na geseling uit de kolonie verbannen. Gelukkig denken we tegenwoordig anders over deze relaties, en worden ‘de schuldigen’ niet meer in de cel gezet op het Fort.