Museumstof 86: Slavernij en religie

Museumstof 85: 140 jaar parlement 1866-2006
July 10, 2006
Museumstof 87: Dronkemanspraat
August 10, 2006
Show all

Museumstof 86: Slavernij en religie

Slavernij en religie zijn sterk met elkaar verbonden. Zo werd aanvankelijk dit mensonterende systeem verdedigd met de bijbel in de hand. De verandering hierin werd vooral bewerkstelligd in Suriname door de Evangelische Broeder Gemeente (EBG) die al vanaf 1754 geregelde zendingsmissies uitvoerde, vooral in het binnenland. Om de stemming onder de slaven in de periode vóór de afschaffing van de slavernij ten positieve te beïnvloeden, voerden de EBG de kersteningsactiviteiten op. Hierin werden ze vanuit Nederland ondersteund.

In de bibliotheek van de Stichting Surinaams Museum is een klein boekje van 20 pagina’s te vinden waarin een lezing van de heer C. Schwart is afgedrukt. Deze lezing is op 3 december 1862 bij gelegenheid van de dankstond uitgesproken in ‘de kerk der vereenigde doopsgezinde gemeente te Amsterdam’. De titel van de lezing was: ‘Vrijlating en vrijmaking der slaven in de kolonie Suriname’ en werd gehouden ‘ten voordele der zending van de Moravische broeders in West-Indië’.

Gedoopte hoofdmannen met links Johannes King. Gezien het opgebrachte nummer vermoedelijk afkomstig uit een serie. Fotoarchief Surinaams Museum. Herkomst foto onbekend.

Schwart vangt aan met een citaat uit het boek Prediker: ‘De dag des doods is beter dan die der geboorte’, om aan te geven dat alle mensen streven naar een plaats in de hemel. Vervolgens hekelt hij het misbruik van de bijbel, vooral in Amerika, ter verdediging van de slavernij. De burgeroorlog die daar woedt, is iets wat zeker in Suriname vermeden dient te worden. Dan klaagt hij Spanje aan vanwege het bijzonder wrede slavernijsysteem. De auteur geeft aan dat er een periode van 10 jaar Staatstoezicht in Suriname is ingesteld om de slaven te leren ‘de geschonkene vrijheid weten te waarderen en te gebruiken’, dit door middel van godsdienst- en schoolonderwijs, verzorgt door de Moravische broeders. Dat dit noodzakelijk is, wordt gestaafd aan het bewijs van de situatie in Guyana, waar niet aan kerstening werd gedaan en de slaven een bloedige opstand ontketenden. Dit tegenover ‘Jamaika’, waar de Moravische broeders de slaven eerst hebben bekeerd en de overgang goed is verlopen.

Vervolgens beschrijft Schwart in ruim 5 pagina’s de activiteiten die de EBG in Suriname vanaf het begin van de zending heeft ondernomen, waarin vooral het dopen van bekeerde slaven centraal staat. De oprichting van ‘De Maatschappij ter bevordering van het godsdienstig onderwijs onder de inlandsche bevolking der kolonie Suriname’ heeft vooral geldelijke steun verleent om de zendingsactiviteiten uit te kunnen breiden. Aan het einde van de preek wordt het doel duidelijk: geeft gul voor de Moravische broeders in Suriname: ‘Willen wij niet alleen de vrijlating, maar de ware vrijmaking der slaven bevorderen; willen wij meewerken dat de afschaffing der slavernij eene wezenlijke weldaad voor de negers en een zegen voor Nederland zal zijn, dan moeten wij de Moravische broeders in hunne behoefte aan scholen en onderwijzers met onze gaven en onze gebeden meer dan immer ondersteunen.’ Anders zou het wel eens slecht af kunnen lopen met de vrijmaking van de slaven en de kolonie, dreigt hij. ‘Immers, uwe opkomst hier strekt mij reeds ten bewijze, dat gij den slaaf liefhebt en zijne stoffelijke en geestelijke belangen oprecht wil bevorderen.’