Museumstof 84: Watra lon na mi ay. De overstroming van 1911

Museumstof 83: De bijbel, tijdloos en actueel
June 6, 2006
Museumstof 85: 140 jaar parlement 1866-2006
July 10, 2006
Show all

Museumstof 84: Watra lon na mi ay. De overstroming van 1911

In verband met de hoge waterstand in het binnenland van Suriname is het verschijnsel van het buiten de oevers treden van de rivieren momenteel erg actueel. Reden om er een Museumstof aan te wijden. Want het is geen eenmalig verschijnsel. Oudere mensen uit het gebied kunnen zich nog herinneren dat in 1949 een vergelijkbaar fenomeen plaatsvond. Dit geeft te denken. Zouden er verder terug in de geschiedenis ook overstromingen zijn geweest? In “Het verslag der Corantijn-expeditie (19 Juli 1910 -1 April 1911), door C.C. Käyser. Luitenant ter zee 2de klasse Kon. Marine” vinden we er meer over. In het werkje is de uitgever niet aangegeven, wel staat onder het verhaal: ’s Gravenhage, juni 1912.

Dit verslag beschrijft de expeditie naar de oorsprong van de Corantijnrivier, ondernomen door de auteur, Eilerts de Haan (die onderweg bezweek aan malaria) en een officier van gezondheid, K. M. Hulk. Ze vertrokken met de boot van de Koninklijke West-Indische Mail vanuit Holland naar Paramaribo, waar ze op 10 juni 1910 aankwamen. Ze brachten geconserveerde levensmiddelen mee en vulden hun vracht aan. Uit verslagen van vorige expedities bleek wel dat vrachtvervoer een probleem was, dus ‘groote soberheid’ moest worden betracht. Ook waren ze in het bezit van 3 ‘corealen van staalblik vervaardigd’. Deze waren demontabel in 10 stukken, zodat ze door ‘het bosch gevracht’ konden worden, in tegenstelling tot de zware houten korjalen. De stukken werden na tussenlegging van rubberen randen met moerbouten vastgemaakt en er werd een houten kielplaat over de volle lengte van de boot bevestigd om de boot te beschermen tegen het schuren over de rotsen in de sula’s. Deze boten bleken nogal te lekken in de naden, zodat de bemanning steeds moest hozen. De houten korjalen bleken nog wel meer voordelen te hebben. De expeditie huurde 32 man personeel in, sommigen voor de gehele reis, anderen voor een deel. Vooral de heren Appel en Aken zijn van onschatbare waarde voor de expeditie gebleken.

Het overstroomde kamp van de expeditieleden, alleen het dak steekt nog boven water.

Het grootste deel van het verslag bestaat uit het dagboek van de tocht. Op 29 januari noteert Käyser: ‘De Sipaliwini had een dezer dagen gebandjird, een verschijnsel waarvan wij tot nu toe geen last gehad hadden. Na een zeer regenachtigen nacht steeg in den voormiddag het water plotseling ongeveer 5 M., zóó snel, dat men nauwelijks tijd had de, op de rotsen te drogen gelegde goederen te bergen. Een der kampjes, ofschoon op een flinken rots boven de rivier gebouwd, stond spoedig tot aan het dak toe onder water. Met moeite werden gelukkig de booten behouden. Dit bericht omtrent de rivier baarde mij wel eenige zorg, daar, waar deze na een enkelen regennacht dusdanig zwol, ook te vreezen was, dat zich bij het invallen van den kleinen droogen tijd, die thans te wachten was, spoedig droog zou loopen en onze terugtocht daardoor in gevaar kon komen.’ 

‘Bandjiren’ van rivieren is het plotseling wassen en buiten de oevers treden door geweldige regens bovenstrooms. Het woord is afkomstig uit het Maleis-Javaans. Käyser kwam heelhuids terug in Paramaribo, er is zelfs een gebergte naar hem vernoemd.

Het verslag dat hij na thuiskomst uitgaf, bevat naast bijzonder interessante wederwaardigheden als positionering van de bergen in het zuiden ook tekeningen van kaarten die twee indianenhoofden, Assingi en Ajoewa, van het stroomgebied van de Sipaliwini en haar zijrivieren maakten. Wat opvalt is dat de kaarten erg verschillen, de hoofden hebben waarschijnlijk verschillende gebieden doorkruist. Tevens is een korte woordenlijst uit het Trio en het Saloema opgenomen. Ook werden geologische, zoölogische, botanische en antropologische gegevens verzameld. De verslagen van expedities kunnen zo nog verassende gegevens opleveren.