Museumstof 42: Ef yu naki kapa lasi, yu sa yere boriman tongo
October 3, 2003
Museumstof 44: Klinken als een klok
October 5, 2003
Show all

Museumstof 43: Brandmerken

Brandmerken is een verschijnsel uit de slaventijd waar wij nog steeds van gruwen. In Fort Zeelandia zijn enkele brandmerken te zien. Een daarvan is in bruikleen afgestaan door de heer Hagemeyer van plantage Frederiksdorp. Dit ijzer komt uit Guyana. Deze brandijzers waren echter bestemd om vee mee te brandmerken, en niet voor de slaven. Dit weten we omdat de voor mensen bestemde merken gemaakt waren van zilver en van een kleiner formaat waren, ter grootte van een vierduitsstuk.

Slaven werden vaak tweemaal gebrandmerkt. De eerste keer in Afrika, veelal met het merkteken van de West-Indische Compagnie (WIC). Nadat de handelaren de slaven hadden geselecteerd, werden deze samen, voordat ze naar de Amerika’s werden vervoerd, opgesloten met slaven bestemd voor de Engelse of Franse markt. Bij aankomst in Suriname kregen ze hun tweede merkteken. De slavenmerken bestonden meestal uit de initialen van de nieuwe eigenaar of de plantagenaam, in zilveren letters gemonteerd op een zilveren plaatje. Dit was vastgemaakt aan een gedraaid staafje met een houten handvat eraan. Het plaatje werd verhit en op de bovenarm van de slaaf gedrukt. De wond werd ingesmeerd met olijfolie of boter. De merktekens moesten worden opgegeven aan de raad-fiscaal en waren dus bij de overheid geregistreerd. De eerste wettelijke bepaling, een plakaat uit oktober 1684, geeft aan dat slaven die niet zijn gemerkt, na drie maanden eigendom worden van het gouvernement. Uit een advertentie in de Surinaamsche Courant en Algemeene Nieuwstijdingen blijkt wel duidelijk het doel van het brandmerken:

“[…] Alzo zeedert eenige Tyd van de Plantagie MON-SOUCIE zig heeft geabsenteerd, een Timmer Neger genaamd Avantuur, zynde dik van Postuur, met uitgepeylde Oogen en gemerkt op de regter arm SMS, en van de Plantagie FREDERIKSBURG een Timmer Neger genaamd Harlequin zynde smalagtig van Postuur en Roodagtig van couleur en gemerkt SPL, zo word een ieder verzogt gemelde Negers niet op te houden nog te verbergen maar dezelve ontdekkende, op te vangen en te bezorderdten Huize van den OnfFSeteekende, of bij deszelvs absentie, bij den Burger ABM. de SL. ROBLES de MEDINA, zullende daar voor genieten een Premie van f 20,- voor ieder. Een yder wagte zig voor Schaaden. Paramaribo den 25 November 1797, F. C.  STOLKERT […]” In 1824 diende men aan de cipier van Fort Zeelandia  f 1,00 te betalen voor het laten brandmerken, volgens een mededeling in het Nieuws- en Advertentieblad van Suriname.

MS043Brandijzer

Slaven werden sowieso gebrandmerkt, maar deze herkenning werd ook als strafmaatregel gebruikt. Een plakkaat uit januari 1700 verordent dat schippers die de suiker los in hun ruimen stortten in plaats van deze in vaten te vervoeren, kans lopen om gegeseld en gebrandmerkt te worden, omdat deze manier van vervoer erg fraudegevoelig was. In 1719 werd een plakaat geslagen dat streng waarschuwde voor de diefstal van jonge koffieplantjes. Als een blanke zondaar in zo’n geval zijn boete niet direct kon betalen, werd hij eveneens gegeseld en gebrandmerkt, terwijl een slaaf zonder pardon de doodstraf kreeg voor dit vergrijp. Gifmengers moesten volgens een wet uit 1745 onder andere op hun voorhoofd worden gebrandmerkt. Ook vrouwen ontkwamen niet aan dit wrede gebruik. In januari 1711 werd streng gewaarschuwd tegen relaties tussen blanke vrouwen en negers: “[…] Ende in gevalle eenig getrouwt vrouwspersoon daertoe mogte komen te vervallen sal deselve niet alleen strengelijk worden gegeselt, maer ook gebrandmerkt ende voor haer leven uyt deese colonie gebannen ende sal de neger […] sonder eenige conniventie met de dood werden gestraft […]”. Dat brandmerken als straf niet slechts in een slavenmaatschappij werd uitgevoerd, blijkt wel uit de dagboeken van Jacob Bicker Raye, magistraat te Amsterdam. Hij was de broer van Joan Raye, die kort gouverneur was in Suriname. Op 10 juli 1734 heeft hij uit hoofde van zijn functie een vrouw ter dood veroordeeld. De twee brandmerken die zij reeds droeg, hadden haar er klaarblijkelijk niet van kunnen weerhouden keer op keer diefstallen te plegen. De brandmerkijzers zijn vanaf 17 augustus te zien als onderdeel van de tentoonstelling “Susanna du Plessis, portret van een slavenmeesteres”

Bronnen:

Medelingen van de Stichting surinaams Museum, nr. 34 (1981), te koop in de museumwinkel.

West Indisch Plakaatboek, Schiltkamp en De Smit, 1973.