Museumstof 42: Ef yu naki kapa lasi, yu sa yere boriman tongo

Museumstof 41: Tranga yesi na koni fu dumakuku
October 2, 2003
Museumstof 43: Brandmerken
October 4, 2003
Show all

Museumstof 42: Ef yu naki kapa lasi, yu sa yere boriman tongo

Op vele plaatsen in de Surinaamse kustvlakte vinden we nog grote pannen, die erg tot de verbeelding spreken. Ook in Fort Zeelandia staan twee van deze kapa, zoals de open ketels heten. Nee, ze werden niet gebruikt om het slaveneten in klaar te maken. De kapa werden gebruikt om het suikerrietsap in te koken. Op de suikerrietplantages werd twee maal per jaar het suikerriet gekapt. Dit was een heel zware tijd voor de werkers. Alle suikerriet diende binnen enkele dagen verwerkt te  worden, anders zou het sap bederven. Na de rietkap werden de stengels door een pers gehaald. Het riet werd handmatig ingevoerd en het kwam wel eens voor dat een onoplettende slaaf zijn vingers tussen de pers kreeg. Omdat het stilzetten van de raderen te veel tijd in beslag nam en het gevaar bestond dat het gehele lichaam van de slaaf in de pers werd getrokken, lag er altijd een houwer naast de pers om de vingers of de hand van de ongelukkige af te kappen.

De suikerrietpers werd meestal aangedreven door een watermolen of een beestenmolen. Na het persen werd het sap in de grootste kapa gegoten. Zoals op de afbeelding te zien is, waren er meerdere kapa achter elkaar in een stenen haard gemetseld. Hieronder werd een houtvuur (of van uitgeperst riet, tras) gestookt. Het koken van het sap was het zwaarste werk op de plantage, vanwege de hitte bij het vuur. Steeds werd het vuil op de kokende massa met een schuimspaan afgeschept. Als het sap een bepaalde dikte had, werd het overgegoten in een kleinere kapa. Vanuit de allerkleinste werd de ingedikte massa in een ton gedaan. Als de suiker te lang werd gekookt, bestond het gevaar dat de massa karamelliseerde en ongeschikt werd om als suiker te worden verkocht. Als je de massa te kort kookte was het nog te dun en sijpelde er teveel vocht tussen de kieren van de ton. Hierdoor verloor je heel wat aan gewicht, en dat was natuurlijk weer nadelig voor de opbrengst van de plantage. De kwaliteit van de suiker hing ook af van het moment waarop de suikerriet werd geoogst. Bij te vroege oogst was het sap te waterig, bij te late oogst gingen de belangrijkste stoffen in het riet naar de jonge spruiten. Daarbij kwam nog dat de watermolens alleen konden malen bij springvloed. Het allerbelangrijkste was wel dat de suikerrietkokers alle voorwerpen waar de suiker mee in contact kwam, heel goed schoon hielden. Enige verontreiniging en het product zou bederven. Uit voormelde blijkt wel dat het koken van de suiker nogal een nauwkeurig karwei was. De slaven die deze werkzaamheden uitvoerden, waren dan ook hierin geschoold en behoorden tot de specialisten. Voor een goede ‘boriman’ moest de plantagemeester dan ook veel betalen. De odo ‘Ef yu naki kapa lasi, yu sa yere boriman tongo’ geeft aan dat wie de bal kaatst, hem ook terug moet verwachten.

MS42-1

De suiker werd na het koken in tonnen gedaan. Tussen de kieren van de ton liep er altijd nog wat vocht naar buiten. De tonnen werden in het Waaggebouw gewogen en meestal was het gewicht bij aankomst in de Nederlandse handelshuizen zo’n 14 % lager. Blom (1786) heeft in zijn Landbouw in Suriname diverse modellen gemaakt voor de financiering van een suikerrietplantage. Het opzetten van het geheel kostte ongeveer 200.000 gulden. Dan waren er allerlei onkosten die van de opbrengst af gingen, zoals belasting, waaggeld, pakhuishuur, vervoer, verzekering. Zelfs aan de kassa tegen de  weglopers (marrons) diende 5 % van de opbrengst te worden afgedragen. Als de planter minder dan 80 gulden per vat verdiende, leed hij verlies en kon hij zijn plantage niet draaiende houden. In een vat of oxhoofd kon wel 400 kilo suiker. De inhoud werd in de loop der tijden steeds groter, in 1860 was het al 700 kg. Topjaren voor de suikerproductie in Suriname waren 1742, 1750, 1801 en 1804. Er werd jaarlijks meer dan 10 miljoen kilo suiker geëxporteerd. Na ongeveer 1825 steeg de suikeropbrengst gestaag tot boven de 18 miljoen kilo (1835) omdat er aanvankelijk voortaan volgens de ‘Jamaica train’ (een Engelse uitvinding) werd gekookt en men vervolgens stoommachines installeerde. En hoe duur was de suiker? De prijs in Nederland varieerde ook sterk. Van 32 cent per kilo in 1750 tot 72 in 1793, waarna de prijs weer zakte en in 1863 een kilo suiker in Amsterdam slechts 36 cent opbracht.

Kapa op Fort Zeelandia