Museumstof 41: Tranga yesi na koni fu dumakuku

Museumstof 40: je straf uitzitten
February 13, 2003
Museumstof 42: Ef yu naki kapa lasi, yu sa yere boriman tongo
October 3, 2003
Show all

Museumstof 41: Tranga yesi na koni fu dumakuku

De Stichting Surinaams Museum heeft een aantal slavenboeien in haar collectie. Hand- en voetboeien, al dan niet met een zware bal en boeien die om je middel of je enkels gingen met een staaf eraan die in de muur zat vastgemetseld. Bovendien is er een halsboei met haken. Op de afbeelding zien we zo een halsboei waarvan het doel was een wegloper te beletten een hernieuwde vluchtpoging te ondernemen. De haken aan de uiteinden van de aan de boei vastgemaakte staven, bleven steken achter de takken in het bos. Deze boei was dus niet functioneel in open terrein. De halsboei van het museum zal voorlopig niet in Fort Zeelandia te zien zijn. Dit voorwerp wordt namelijk in bruikleen gegeven aan het Wereldmuseum in Rotterdam, waar vanaf oktober de tentoonstelling ‘De Erfenis van de Slavernij’ een jaar lang te zien zal zijn. De gastconservator, Felix de Rooij, heeft meerdere voorwerpen waaronder textiel en houtsnijwerk uit onze collectie in het depot geselecteerd. Zo kunnen we een bijdrage leveren aan een expositie die door velen bezocht zal worden.

Museumstof041

Op de tekening zien we ook een afschrikwekkend masker. Ironisch genoeg was dit masker niet bedoeld om slaven te straffen, maar om hen te beschermen. Het diende om te voorkomen dat de slaven grond aten. Blom (1786) schrijft hierover: ‘De neger […] word mismoedig, het leven wordt hem tot last, hy begeeft zig aan ’t eeten van houtskoolen, aarde en ander ongeschikt voedzel, waardoor hy in eene kwynende ziekte vervalt, en eindelyk sterft.’ Dit grondeten, cachexia africana of wel ‘hati-weri’, werd als een van de ergste slavenziekten beschouwd. De planters stonden er machteloos tegenover en probeerden het te beletten door de slaven deze ijzeren maskers te laten dragen. Het probleem zou echter veel eenvoudiger zijn opgelost met een beter dieet en betere leefomstandigheden want volgens de arts Van der Kuyp (1958) aten de slaven instinctmatig grond om hun ijzertekort aan te vullen. Dit gebrek zou volgens hem mede ontstaan kunnen zijn door de aanwezigheid van mijnworminfectie (ancylostomiasis), veroorzaakt door de larve van de haakworm. Deze (nu weinig voorkomende) worm haakt haar stekels vast in de darm en zuigt bloed. Hierdoor ontstaat bloedarmoede, wat weer ijzergebrek tot gevolg heeft. Het spreekt voor zich dat besmetting met deze worm sneller plaatsvindt bij slechte, vochtige behuizing en weinig ruimte. Het hoofdvoedsel in de slaventijd bestond uit aardvruchten, ‘gron njan’ met zoute vis. Dit was een bijzonder mager dieet met weinig ijzer, vetten en eiwitten. Niet bepaald geschikt dus als basis voor een zware dag plantagewerk onder de hete zon. Hostman vermeldt in 1850 dat de ‘Doemakoekoe-negers’ veel meer dan andere uit Afrika aangevoerde negers aan grondeten leden. Daarmee wordt de odo boven deze museumstof verklaard.